Energiearmoede daalt niet

Ondanks de zachte temperaturen tijdens de wintermaanden blijft het aantal gezinnen in energiearmoede stabiel hangen op ruim 21%. Dat blijkt uit de jaarlijkse Barometer van de Energiearmoede, gepubliceerd door de Koning Boudewijnstichting. Wie in energiearmoede leeft, besteedt een veel groter deel van zijn budget aan energie dan andere gezinnen, draait zijn of haar verbruik noodgedwongen erg terug om de rekening zoveel mogelijk te beperken, of vreest de woning niet voldoende te kunnen verwarmen.

  • Gemeten energiearmoede
    In 2017 had 14 procent van de gezinnen (14,5% in 2016) te maken met gemeten energiearmoede, wat betekent dat hun energiefactuur 11,8 procent of meer van hun beschikbaar inkomen (na aftrek van woonkosten) opslokt – dubbel zoveel als bij het doorsnee gezin, waar dat op 5,9 procent ligt. De gemeten energiearmoede is merkelijk groter in Wallonië. Daar leeft bijvoorbeeld 19,5 procent van de gezinnen in gemeten energiearmoede, tegen 11,4 procent in Vlaanderen en 12,1 procent in Brussel. Dit kan onder meer worden verklaard door de inkomensniveaus, maar ook door de grootte en kwaliteit van de woningen (appartementen in Brussel versus losstaande woningen in Wallonië).
  • Verborgen energiearmoede
    Daarnaast is er in 4,5 procent van de gezinnen verborgen energiearmoede: zij beknibbelen zodanig op hun verbruik (o.a. minder verwarmen) dat ze minder dan de helft verbruiken dan wat even grote gezinnen in vergelijkbare woningen verbruiken.
  • Subjectieve energiearmoede
    En tot slot is er de subjectieve energiearmoede: 6,2 procent van de gezinnen verklaart onvoldoende financiële middelen te hebben om de woning te verwarmen – een toch wel opvallende stijging tegenover de 4,9 procent uit 2016. Hieraan ligt wellicht een combinatie van factoren ten grondslag: stijging van de energieprijzen, armoede in het algemeen, een groeiende kloof tussen huurders en wie eigenaar is van zijn woning, jobonzekerheid, groeiend aandeel van alleenstaanden…

In totaal werd in 2017 21,7 procent van de gezinnen potentieel getroffen door minstens één van de drie vormen van energiearmoede (21,2% in 2016). De stijging van de energieprijzen is daar niet vreemd aan, maar verklaart niet alles. Wat ook een rol speelt zijn de toegenomen woonkosten, waardoor er minder gezinsbudget overblijft na aftrek van die kosten. Vooral in Wallonië daalde het beschikbare budget dat overblijft na het betalen van de noodzakelijke woonkosten.

De dualisering op de woningmarkt wordt scherper, met een risico op energiearmoede (alle vormen) dat toeneemt bij huurders, in het bijzonder bij sociale huurders. Het risico op energiearmoede bij huurders ligt twee tot driemaal hoger dan bij eigenaars, en het verschil wordt steeds groter. Zij kampen op een structurele manier met energiearmoede.

De energiearmoede treft vooral alleenstaanden (vooral vrouwelijke alleenstaanden), onder wie ook oudere alleenstaanden – hun oudere woning mag dan wel afbetaald zijn, het kost hen te veel om ze warm te stoken - en eenoudergezinnen. Waar ‘slechts’ 4,2 procent van de koppels met kinderen leeft in gemeten energiearmoede, is dat bij alleenstaanden 26,3 procent en bij eenoudergezinnen 19,4 procent. Gezien de groei van het aandeel alleenstaanden in de bevolking (van 30,4% in 2014 naar 32,7% in 2017) geen onbelangrijke vaststelling.

Het is niet eenvoudig te achterhalen of een slechte gezondheid aanleiding geeft tot energiearmoede, of omgekeerd. Wel is duidelijk dat de groepen die met energiearmoede kampen, veel meer aangeven met gezondheidsproblemen te sukkelen. Van de totale bevolking verklaart 8,6 procent in slechte of zeer slechte gezondheid te zijn, bij mensen in gemeten energiearmoede is dit liefst 18,3 procent.

Vorige